Stichting Sobibor

Een historische reis

 Tijdens de reis naar de kampen van de Aktion Reinhardt van 30 september tot 8 oktober 2006 verzochten wij twee studenten van de faculteit Holocaust- en Genocidestudies van de Universiteit van Amsterdam, Vica Bogaerts en Annemaaike Tempelaar, een verslag te schrijven over hoe zij deze reis hebben ervaren. Het resultaat bieden wij u hierbij aan. Wij zeggen ze hiervoor gaarne dank.

Een historische reis
door Vica Bogaerts en Annemaaike Tempelaar

Een verslag van de reis naar de kampen van Aktion Reinhardt in Polen, georganiseerd door de Stichting Sobibor en Bildungswerk Stanislaw Hantz, van 30 september tot 8 oktober 2004.

Een bont gezelschap kwam aan in Lublin op 1 oktober. Nederlanders, Duitsers, jongeren, ouderen, joden, niet-joden, nabestaanden van slachtoffers van de holocaust, nabestaanden van (laaggeplaatste) nazi’s: een groep bol van tegenstellingen waarbij het onvoorspelbaar was welke componenten het meest tegenover elkaar stonden of zouden komen te staan. Onze verblijflaats in Lublin was een klooster, vanwaar we elke dag met een touringcar vertrokken richting bestemming van die dag. De nonnen van het klooster zorgden voor een eenvoudig maal, hetgeen door sommigen meer gewaardeerd werd dan door anderen. Lublin is een middelgrote stad, die een centrale plaats innam tijdens de Duitse bezetting van Polen. Het was het centrum van het zogeheten Generaalgouvernement, waar Odilo Globocnik resideerde die belast was met de uitvoering van Aktion Reinhardt, het vermoorden van joden in de vernietigingskampen Belzec, Sobibor en Treblinka. Voor de Tweede Wereldoorlog woonden er in Lublin 120.000 mensen, van wie 40.000 joods waren. Nu wonen er 200.000 mensen, waaronder welgeteld twintig joden.

Het reisgezelschap was zoals gezegd divers. De senioren op de reis hadden elk een zeer bijzondere achtergrond: Jules Schelvis is Sobibor-overlevende, 83 jaar en grondlegger van Stichting Sobibor. Hij verloor in Sobibor onder andere zijn vrouw en schoonouders. Zelf bracht hij nog twee jaar door in gevangenschap in verschillende werkkampen in Polen en Duitsland. Ternauwernood haalde hij de bevrijding.

Philip Jacobs, 82 jaar, ontvluchtte Nederland in mei 1942 (op de fiets) en kwam via België, Frankrijk, Spanje, Curaçao en Canada uiteindelijk in Engeland terecht waar hij werkzaam was bij de luchtmacht en zijn aandeel leverde in de strijd tegen de nazi’s. Hij verloor ondermeer zijn verloofde en zijn ouders in Sobibor. Van de Nederlandse groep was een aantal deelnemers eerste-generatie nabestaanden van slachtoffers van de holocaust. Verder was er een groep mensen die een bijzondere interesse had voor deze zwarte periode uit de wereldgeschiedenis; hobbyisten en tevens een aantal studenten van de universiteit van Amsterdam. Via prof. Houwink ten Cate, docent aan de UvA, tevens directeur van het Centrum voor Holocaust- en Genocidestudies in Amsterdam en goede bekende van Jules Schelvis, kregen de studenten de mogelijkheid om deel te nemen aan deze reis.

De Duitse deelnemers van het reisgezelschap waren via Bildungswerk Stanislaw Hantz in aanraking gekomen met deze reis. De man aan wie Bildungswerk zijn naam ontleent was ook naar Lublin gekomen. Stanislaw Hantz (Staszek) heeft vijf jaar als politiek gevangene in Auschwitz gezeten. De meeste deelnemers van Duitse zijde waren geïnteresseerden in het onderwerp, vaak met een onderhuids schuldgevoel jegens de daden van hun voorvaderen. Een van de deelnemers, een gepensioneerde psychiater, was als jongen lid geweest van de Hitlerjugend. Van een aantal andere deelnemers werd tijdens de reis bekend dat hun (groot)ouders nationaal-socialisten waren geweest (maar details bleven in het duister gehuld, daar werd in de familiekring niet over gesproken). Duidelijk werd wel dat alle neuzen op deze reis dezelfde kant uit wezen, en dat was een vruchtbaar uitgangspunt voor deze onderneming. Het zou nog pittig genoeg worden.

De eerste dag was voor velen ook de zwaarste. De bestemming van die dag was Sobibor. De avond ervoor, ‘s morgens bij het ontbijt, in de bus onderweg: de spanning was te merken. Het werd een zeer bijzondere dag. Het weer leek zich te vereenzelvigen met onze gemoedstoestand; het was mistig, het motregende. Een beetje mistroostig stonden we op de Rampe naar het verhaal van Jules te luisteren. Bij de, door zijn simpelheid indrukwekkende, Gedenkallee (vroeger de Himmelfahrtstrasse geheten) kregen emoties de ruimte. Stenen met daarop namen van geliefden lagen daar onder geplante dennenbomen als een erkenning van bestaan en bewijs van sterven aan de wereld. Een aantal Nederlandse nabestaanden hield bij de asheuvel een eenvoudige ceremonie waar zij verloren dierbaren herdachten. De overige groepsleden waren onder de indruk, dankbaar dat zij hiervan getuige mochten zijn en anderzijds waardeerden de nabestaanden hetnamen lezen bij de asheuvel in Sobibor medeleven bij de overige groepsleden enorm. Dit werd duidelijk in de Austausch, het avondlijke uurtje waar een ieder zijn gedachten de revue kon laten passeren en deze delen kon met de rest van het gezelschap. Na deze dag was een kleine verandering merkbaar, alsof er een last bij mensen van de schouders was gevallen.

Het programma was vol, elke dag bezochten we plekken waar de holocaust zich ontwikkelde.
Duidelijk is dat elk dorp in de regio Lublin een plek inneemt in de geschiedenis van de holocaust. De Poolse holocausthistoricus Robert Kuwalek begeleidde elk bezoek met een reeks ooggetuigenverklaringen die niets aan de verbeelding overlieten. Elk dorp heeft ofwel haar joodse inwoners afgestaan aan de treinen die ze naar de vernietigingskampen vervoerden, dan wel toegestaan dat SS’ers en Oekraïners hen wegvoerden uit het dorp naar een plek waar ze met machinegeweren omgebracht werden. De massagraven liggen er genegeerd bij, overwoekerd met onkruid. In één specifiek geval bracht onze groep daar verandering in. Met tuinhandschoenen gingen we gezamenlijk aan het werk om de graven van onkruid te ontdoen. Het voelde bij velen het schoonmaken van een massagraf in het dorpje Izbicaals een opluchting daadwerkelijk iets te kunnen doen, om persoonlijk zorg te dragen dat de elementen van tijd het verleden niet toe konden dekken.

In de voormalige vernietigingskampen Belzec en Treblinka zijn structurele stappen gezet tot het instandhouden van de herinnering. Hier zijn indrukwekkende herinneringsmonumenten opgebouwd. Het contrast met Sobibor is aanzienlijk, dat ligt er min of meer verlaten bij. Wellicht is het omdat in Belzec en Treblinka meer slachtoffers zijn omgekomen (500.000 en 850.000 tegenover de 250.000 van Sobibor, hoewel ver­schil­lende slachtofferaantallen rouleren), of wellicht omdat diens slachtoffers uit grote gemeenschappen in Polen kwamen, en daar de belangstelling van nabestaanden dan ook naartoe ging. Het is een hiërarchische verwerking van leed, welke maar moeilijk te verteren valt. Wellicht wel juist omdat Sobibor een dergelijk trieste en vergeten aanblik biedt, ervoer deze groep het als een schokkende confrontatie. Maar in het licht van de geschiedenis verdient Sobibor uiteraard meer naam. Jules Schelvis zet zich reeds jarenlang in om Sobibor wereldwijd meer bekendheid te geven. Het kan dan ook als succes bestempeld worden dat zijn wetenschappelijk werk Vernietigingskamp Sobibor naast het Nederlands in een Duitse uitgave is verschenen en er volgend jaar een Engelse versie verschijnt.

Een bijzonderheid die wij bezochten is het concentratiekamp Majdanek. Het was van oorsprong geen vernietigingskamp, toch wordt nu aangenomen dat met name in de laatste maanden van de bezetting van Polen daar veel mensen zijn omgebracht. Het kamp is nog geheel intact, daar waar de andere drie kampen destijds met de grond werden gelijk gemaakt om al het bewijsmateriaal te vernietigen. Op een heuvel boven Lublin, in volle zon (behalve tijdens ons bezoek aan Sobibor was het de hele week stralend weer, iets wat ergens ongepast overkwam maar toch ook wel als een opluchting voelde), lagen de barakken en crematoria duidelijk herkenbaar. Daar waar de drie vernietigingskampen toch min of meer verscholen lagen in bossen en dunbevolkte gebieden, lag Majdanek veel zichtbaarder. De barakken en de rook moeten vanuit de stad waargenomen zijn, waardoor clichés als ‘wij wisten het niet’ veel meer geïnterpreteerd kunnen worden als ‘wij wilden het niet weten.’ Dit leidt ons naar het onderwerp van historische manipulatie.

Tot op de dag van vandaag kan de periode van de Tweede Wereldoorlog als een ongeheelde wond van het nationale verleden van Polen beschouwd worden. Het land heeft dan ook enorm geleden onder de Duitse bezetting. Naast de genocide op de joden, de zigeuners, en de gehandicapten, zijn tevens 1,2 miljoen Polen omgebracht. Voor sommigen verdringt de herinnering aan de holocaust de nationale catastrofe die zich als gevolg van de oorlog over het land voltrokken heeft. Vooral de manier waarop publiekelijk met de herinnering aan de oorlog wordt omgegaan, kan duidelijk illustreren hoe pijnlijk deze nog altijd door de Poolse bevolking wordt ervaren. Hoewel er in de voormalig vernietigingskampen Belzec en Treblinka indrukwekkende monumenten zijn opgebouwd, lijkt het op tal van andere plaatsen alsof men deze historische episode bij voorkeur zou vergeten. Het was dan ook een pijnlijke constatering dat vele monumenten en gedenkstenen, die vorm geven aan de herinnering aan de oorlog en bezetting, nauwelijks of zeer gebrekkig worden onderhouden.

Ook enkele ontmoetingen met de lokale Poolse bevolking illustreerden dat de verzoening met het verleden uiterst moeizaam verloopt. Zo liet bijvoorbeeld een hoogopgeleide inwoner van Lublin weten dat hij de Aktion Reinhardt-reis van Stichting Sobibor en Bildungswerk een goed initiatief vond, maar dat het wel van groot belang was dat we inzagen dat ook de Poolse bevolking had geleden en als slachtoffer beschouwd moest worden. Menigmaal wees hij op het feit dat een groot deel van de Poolse elite direct na de Duitse inval omgebracht was. Toen we hem vroegen over zijn beeld van de rol en misschien zelfs de verantwoordelijkheid van de Poolse bevolking bij de jodenvervolging zweeg hij. De periode van de Tweede Wereldoorlog was volgens hem een afgesloten hoofdstuk.

Deze ontmoeting laat duidelijk zien dat door een deel van het nationale verleden te verzwijgen de naoorlogse Poolse generaties jarenlang beschermd zijn tegen pijnlijke onthullingen over het gedrag van de eigen ouders en grootouders. De reis door het hedendaagse Polen liet gelukkig ook zien dat er in de loop der jaren desalniettemin een behoefte aan een publiekelijke verwerking van het verleden is ontstaan. Deze tendens zagen we weerspiegeld in lokale initiatieven voor erkenning van de Poolse én de joodse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Zo bezocht ons reisgezelschap bijvoorbeeld een school in het dorpje Izbica die bewust aandacht besteedt aan het verleden van de omgeving en de scholieren hier nauw bij betrekt. Ons initiatief om het graf op de joodse begraafplaats schoon te maken werd dan ook aangemoedigd en als dank werden we bijzonder warm ontvangen door het schoolbestuur, met koffie, thee en koekjes. Ook werd het tijdens een herdenkingsdienst in het vernietigingskamp Belzec duidelijk dat de jonge Poolse generatie bereid is om deel te nemen aan initiatieven om de cultuur van stilte te doorbreken. Tijdens deze herdenkingsdienst waren bijzonder veel jonge Poolse scholieren aanwezig die kaarsen brandden en de herinneringen aan de oorlog van hun grootouders voordroegen. Op deze wijze zagen we dat de officiële erkenning van het leed van de joodse slachtoffers door de jonge generatie wordt ondersteund. Een hoopvol inzicht omdat bij de volgende generatie de toekomst van de herinnering ligt. De herinnering aan de slachtoffers van deze onverteerbare episode mag immers nooit verdwijnen.

Het oplezen van namen bij de asheuvel in Sobibor

Tussen reisgenoten van onze unieke groep werden bijzondere banden gesmeed. De Nederlandse groep bleek al snel zeer hecht, maar ook de banden met Duitse reisgenoten werden aangehaald; de traditionele spanning tussen Nederlanders en Duitsers was compleet afwezig. Een duidelijke klik was er tussen de jonge Duitse vrouwen en de jonge Nederlandse delegatie, en een warme band ontstond tussen Jules, Philip, en de studenten. Deze banden - en andere - werden bestendigd in het café. Een aantal reisgenoten was vaste klant in de Ierse Pub die dienstdeed als stamkroeg. Daar werden diverse ‘sapjes’ genuttigd; bier, wijn en uiteraard Poolse wodka. Hier was ook ruimte voor luchtiger zaken, tegelijkertijd met biertjes werden die week heel wat moppen getapt.

De Duitse deelnemers gingen heel zorgvuldig om met (het onderwerp van) de reis. Vanuit de hoek van de organisatie: Bildungswerk toonde een werkelijk zeer groot organisatietalent, waarbij niets aan het toeval werd overgelaten maar waar vooral alle ruimte werd gegeven voor verwerking van herinnering of ervaring, aan een ieder op zijn eigen wijze. Maar ook vanuit de Duitse groepsgenoten, wederzijdse belangstelling en wederzijds respect maakte deze eerste gezamenlijke onderneming zeer de moeite waard en heel bijzonder. Dit blijkt ook uit het feit dat een hereniging niet lang op zich laat wachten: een reünie staat voor januari 2005 op de agenda.

RSS - Deze website is gebouwd door Vasilis van Gemert naar een ontwerp van Sitewash