Geschreven Groepsportret
Omdat er geen dag in mijn leven voorbij gaat dat ik niet met de shoa bezig ben
De meeste mede-aanklagers gaan naar München om hun in Sobibor vermoorde ouders te vertegenwoordigen, maar er zijn ook Nebenkläger die zowel hun ouders als een broer of zus in Sobibor verloren hebben. Er is een mede-aanklager wiens jonge vrouw in het vernietigingskamp vermoord is. Ook zijn er onder de mede-aanklagers personen die niet alleen hun familie hebben verloren maar die ook zelf één of meerdere kampen hebben overleefd.
Rob Cohen (83) was aan het eind van de oorlog 19 jaar oud en heeft zelf meer dan twee jaar in concentratie- en vernietigingskampen gezeten, waaronder in Auschwitz-Birkenau: “Ik heb gezien hoe onbarmhartig de moordmachine van de nazi’s heeft gewerkt. Het gaat elk menselijk voorstellingsvermogen te boven en een ieder die aan zulke moordpartijen deel heeft genomen dient een passende en rechtvaardige straf te krijgen.� Als een Duitse rechtbank die zou uitspreken zou Duitsland hiermee bewijzen zijn plaats in de democratische westerse landen te hebben verdiend, is zijn mening. “Dat zovelen de dans ontsprongen zijn, knaagt nog steeds heel erg aan mijn leven.�
Vera de Jong-Simons (69) voelt zich tegenover “haar omgebrachte ouders en familie verplicht om één van de daders alsnog berecht te zien worden.� Zij vindt het belangrijk dat zoveel mogelijk mede-aanklagers ter plekke zijn om deze zaak zo breed mogelijk wereldkundig te maken. Tegen de achtergrond van het proces speelt voor haar persoonlijk mee “dat ik mijn hele leven mijn ouders moet missen met alle consequenties van dien; het besef van de onmenselijke wijze waarop mijn ouders, mijn grootmoeder en mijn tante zijn omgebracht.�
Rudie Cortissos (70) gaat als mede-aanklager naar het proces om een beetje genoegdoening te krijgen en om de wereld te laten weten dat de nabestaanden er nog steeds mee bezig zijn en er dagelijks mee geconfronteerd worden. “Ja om de confrontatie aan te gaan, maar of wij het droog houden betwijfel ik. Ook grote kerels huilen wel eens.�
Maurits Koopman (85) vertegenwoordigt zijn ouders die in Sobibor vermoord zijn. “Nadat ik een Hitlerjugendjongetje het leven had gered ben ik naar de Zentralstelle gegaan en heb gevraagd wat het leven van een Joods gezin waard is tegenover dat van een Duitse jongen. Zo ben ik er een aantal malen in geslaagd mijn ouders te redden (ze zijn 12 keer van huis gehaald), maar tenslotte werden ze naar Vught gebracht met het hele gezin. In april 1943 viel het doek. Ik heb Auschwitz overleefd en een aantal andere kampen alleen door geluk, niet door eigen kennen of kunnen. Ik ben Nebenkläger omdat ik voor mijn ouders ga staan, omdat dit het laatste is wat ik voor hen kan doen. Een graf hebben ze niet, nooit heb ik dat kunnen verzorgen.“ Hij gaat zelf niet naar het proces omdat hij het noch fysiek noch psychisch kan opbrengen. Maar belangrijk vindt hij het wel: “Na twee verschrikkelijke oorlogen waarin Duitsland de hoofdrol heeft gespeeld, is het eindelijk een democratische staat geworden en daarin wil ik in een rechtvaardig proces staan.�
Louis van Velzen (74), wiens ouders, grootvader, grootmoeder en tante in Sobibor zijn vermoord: “Ik zie mijn vader nog op de ochtend dat hij naar Westerbork ging aan het voeteneinde van mijn bed staan met zijn opvouwbare broodtrommeltje: ‘Zal je goed voor je moeder en je broer zorgen?’ Dat heb ik hem toen beloofd als jongen van zeven, maar die belofte heb ik nooit waar kunnen maken. Daarom ben ik nu mede-aanklager en ga ik mee naar de rechtzaak in München.
Ik heb nooit geaarzeld of ik zou gaan en ik zal me zo flink mogelijk proberen te houden. De tranen rollen wel.� Louis heeft zelf overleefd dankzij tien pleeggezinnen en onderduikadressen in Twente en Brabant. Over het rijke Roomse jongensleven daar vertelt hij op lichte toon. �Toen ik na de oorlog bij een familie in Amsterdam in huis kwam, was dat m’n slechtste adres.�
De toon is positief, nooit haatdragend of wraakzuchtig: de wereld laten weten, het recht of de rechtvaardigheid laten zegevieren, dit is het enige wat ik nog voor mijn lieve ouders kan doen. Mevrouw Pim Combrink-van Huizen (79) noemt verdriet, verlatenheid, machteloosheid, frustratie “en niet op de laatste plaats alle duidelijkheid over het vernietigingskamp Sobibor en dat voor alle tijden.�
Jules Schelvis (88) verloor zijn jonge vrouw en zijn hele schoonfamilie in Sobibor. Hijzelf werd met zijn schoonfamilie naar Sobibor gedeporteerd, maar ontkwam aan de massamoord. Als één van de zeer weinige gedeporteerden werd hij niet naar de gaskamer gestuurd maar te werk gesteld in het turfkamp Dorohucza. Hij overleefde zeven concentratie- en vernietigingskampen en schreef daarover Binnen de Poorten. In het revisieproces tegen de kampbeul in Sobibor, Karl Frenzel, 1985 trad hij op als Nebenkläger. Toen begon hij getuigenissen en documenten over Sobibor te verzamelen, wat resulteerde in het standaardwerk Vernietigingskamp Sobibor waarvoor hem in 2008 door de Universiteit van Amsterdam een eredoctoraat is verleend.
Aan het eind van de oorlog was Rob Fransman (69) nog geen vijf jaar oud. Hij verloor beide ouders, ooms, tantes, neven en nichten in Sobibor: “Mijn leven is door de oorlog zeer beïnvloed. Dat werkt door in het leven van mijn kinderen en misschien zelfs in het leven van mijn kleinkinderen. Exact valt dat uiteraard niet aan te geven. Laten we zeggen dat ik nog een appeltje te schillen heb.�
Rob Fransman houdt een weblog bij voor de Wereldomroep.
Jan Goedel (71) spreekt de hoop uit dat dit proces kan bijdragen aan de verwerking van het verlies van beide ouders, grootouders, in totaal meer dan 30 vermoorde familieleden. Hij wil zijn ouders vertegenwoordigen. “Dit is nog de enige manier om voor ze op te komen.�
Voor de meeste Nebenkläger speelt het belang van de berechting van oorlogsmisdadigers een grote rol, ook al gebeurt dat pas meer dan 65 jaar na dato.
Paul Hellmann (74): “Mijn vader heb ik maar zeven jaar gekend, de rest van mijn leven heb ik hem gemist - steeds meer naarmate de jaren verstreken. Nu heb ik dan de kans hem te vertegenwoordigen op een plek waar een oordeel wordt uitgesproken over de onvoorstelbare wandaden van weleer.�
Met anderen noemt Hellmann het belang van de grotere bekendheid van Sobibor, juist en vooral ook in het licht van de actuele holocaust-ontkenning.
[Oud NRC-redacteur Paul Hellmann gaf onlangs naar aanleiding van zijn boek ‘Mijn grote verwachtingen’ bijgaand interview]
Mary Richheimer-Leijden van Amstel (70) ervaart het als een verplichting tegenover haar in Sobibor vermoorde ouders om als mede-aanklager op te treden. Op deze manier wil zij haar medewerking verlenen aan het openbaren van de verschrikkingen in Sobibor. Zij gaat zelf naar het proces in München om daar getuige te zijn van de berechting van Demjanjuk.
De twee zusjes van Rob Wurms (66) zijn in Sobibor als meisjes van 13 en 15 vermoord. Hij heeft besloten mede-aanklager te worden omdat het “zowat het enige is, wat ik nog voor mijn zusjes kan doen.�
Hij acht het van belang dat dit proces bijdraagt aan het besef dat het willekeurig en op grote schaal vermoorden van mensen absoluut nooit (weer) mag gebeuren en dat de verantwoordelijken hiervoor altijd ter verantwoording geroepen kunnen worden. Tenslotte voel ik het als een verplichting om, na de teleurstelling die ik had over de rechtsgang van na de oorlog en de vaak onverschillige houding van sommige overheden, nu mee te werken aan een poging om althans een heel klein beetje bij te dragen aan de bevordering van recht en gerechtigheid.�
Lotty Huffener-Veffer (88) is Nebenkläger “omdat ze mijn ouders en mijn zusje hebben vermoord.� Zij ligt er wakker van dat er mensen zijn die niet geloven dat de shoa heeft plaatsgevonden. Als Demjanjuk in de rechtzaal zou zeggen wat er in Sobibor is gebeurd, zou dat de holocaust-ontkenners wind uit de zeilen kunnen nemen. Als Nebenkläger laat zij zich door een advocaat vertegenwoordigen: “Ik ga niet naar het proces, omdat ik niet nog eens naar Duitsland wil gaan.�
Bij een razzia in Amsterdam-Oost wist de elfjarige David van Huiden (78) te ontkomen. Hij nam afscheid van zijn ouders en zijn zusje, deed zijn jodenster af en ging met de hond - een Duitse herder – wandelen. Zijn ouders die met zijn zus 12 dagen na de razzia in Sobibor vermoord zijn, hadden ervoor gezorgd dat hij tijdelijk bij niet-Joodse vrienden terecht kon. Hij verbleef op meerdere onderduikadressen terwijl hij tot aan de bevrijding hoopte op een hereniging met zijn ouders en zijn zus.
Als mede-aanklager wil hij het grote onrecht dat zijn familie aangedaan is onder de aandacht brengen en eraan bijdragen dat Sobibor niet wordt vergeten
“De shoa heeft mijn hele leven bepaald�, zegt Ellen van der Spiegel Cohen (67). Als eenjarige baby werd zij in 1943 door het studentenverzet zogenaamd te vondeling gelegd bij een kinderloos echtpaar dat haar christelijk grootbracht. Na de oorlog beginnen de verwarring en het verdriet als zij ontdekt wie zij eigenlijk is. Twee zusters van haar moeder, de enige twee familieleden die de shoa overleefd hebben, mogen haar van de rechter niet in hun eigen gezinnen opnemen. Zij blijft bij haar pleegouders en leeft met het niet besproken geheim van haar dubbele identiteit. De rechter heeft beslist dat ze “voor een deel� joods opgevoed moet worden. Op zaterdag gaat ze naar joodse les in de sjoel (synagoge) en de volgende dag naar de christelijke zondagschool. Zij vertelt hoe belangrijk het voor haar was om in 2007 in Sobibor bij de Gedenklaan bij een pas geplant boompje een steen voor haar vermoorde ouders te plaatsen. Op de steen staat een gedicht van haar:
Zoveel verdriet
Als een steen
in ons hartZoveel liefde
Als een boom
tot in de wolken
(Zie ook het weblog van Joods Maatschappelijk Werk)
Ook Leon Vieyra (67) was een baby van één jaar toen zijn vader in Sobibor werd vermoord. “Na lang beraad en ondanks de emoties en kwaadheid die dit proces bij mij oproept, heb ik besloten mede namens de schaduw van de 74 vermoorde familieleden die over mijn schouders meekijken om mede-aanklager te worden. Eén keer ben ik door anderen gedwongen om onderduiker te zijn. Maar als ik nu geen mede-aanklager zou zijn geworden, zou het gevoeld hebben alsof ik nu een vrijwillige onderduiker zou zijn.� Vieyra gaat ook naar München om te zien of hij nog iets menselijks in Demjanjuk herkent. Hij hoopt dat het hem rust zal geven dat Demjanjuk, al is het dan laat, ter verantwoording wordt geroepen.
Rudi Westerveld (67) spreekt van een “verschrikkelijke persoonlijke familieramp.� Zijn ouders, zijn grootvader en overgrootvader, zijn overgrootmoeder en drie tantes “en nog veel meer familie� zijn in Sobibor vermoord toen hij een baby van een half jaar was. Hij wil als Nebenkläger het proces in München bijwonen: “Het lijkt mij het minste wat ik kan doen om deze misdaad nogmaals aan de kaak te stellen.�
“Ik leef, ook nu nog, dagelijks met het door moordenaarshand aangebrachte verdriet, wat mijn functioneren permanent beïnvloedt�, zegt de 86-jarige Philip Jacobs. Hij vertegenwoordigt tijdens het proces zijn beide in Sobibor vermoorde ouders. In een kort zinnetje voegt hij daaraan toe: “Mijn geliefde Ruth Eva Asch werd eveneens op 23.7.1943 in Sobibor vermoord.�
Het proces ziet hij als de laatste gelegenheid om hen openbaar te gedenken en de moordenaars aan te klagen.
Toen de ouders van Max Degen (67) in maart 1943 naar Durchgangslager Westerbork moesten, hadden een oom en diens niet-Joodse Duitse vrouw zich al over de half jaar oude Max ontfermd. Als baby Max door verraad bij zijn pleegouders ontdekt wordt, zijn zijn ouders en zijn broertje van drie al in Sobibor vergast. Max wordt afgevoerd naar de Joodse crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg, van waaruit de Amsterdamse Joden naar de kampen worden gedeporteerd. Verzetsmensen weten Max in een koffer de crèche uit te smokkelen en als onderduikertje overleeft hij de bezetting en de deportaties. Zijn vader, moeder en broertje zijn direct na aankomst in Sobibor vergast.
“Mijn hele leven wordt beheerst door de moord op mijn familie en dit is het laatste wat ik uit hun naam kan doen.� Daarom gaat hij als mede-aanklager naar het proces. “En ook om elkaar [de Nebenkläger] te steunen en om Demjanjuk in de ogen te kijken.�
Marcus de Groot (70), wiens ouders in Sobibor vermoord werden toen hij drie jaar oud was, vat eigenlijk voor alle Nebenkläger samen welke aspecten uit zijn leven voor het proces van belang zijn: “Omdat er geen dag in mijn leven voorbij gaat dat ik niet met de shoa bezig ben.�
© Stichting Sobibor, Amsterdam November 2009; Tekst: Jeannette Klusman; Fotografie: Carlo Huffener
press@stichtingsobibor.nl