Stichting Sobibor

Sobibor, de naoorlogse geschiedenis van een kampterrein

Door Frank van der Elst

Direct na de opstand van 14 oktober 1943, waarbij ongeveer 300 gevangenen het kamp wisten te ontvluchten, besloot ‘Reichsführer SS’ Heinrich Himmler Sobibor met onmiddellijke ingang te sluiten. Het was voor de Nazi’s zaak om alle bewijzen van het kamp te vernietigen, zeker nu er directe ooggetuigen ‘vrij’ door de bossen van Polen liepen. Niets mocht overblijven van de plek waar 170.000 Joden* op gruwelijke wijze om het leven waren gebracht.
De Rampe van Sobibor

Het afbreekwerk werd grotendeels gedaan door Joodse werkgevangenen die in het vernietigingskamp Treblinka hadden gezeten. Na de opstand in Sobibor waren namelijk alle Joden die het niet was gelukt het kamp te ontvluchten direct doodgeschoten. Toen de Joden van Treblinka eind november klaar waren met het ontmantelen van Sobibor werden ook zij geëxecuteerd. Zij waren hiermee de laatste doden van Sobibor. Op een groot deel van het leeggekomen terrein werden boompjes geplant. Hiermee werd door de Nazi’s getracht alle nog mogelijke sporen van de massavernietiging voorgoed aan het zicht te onttrekken. Slechts het Vorlager bleef intact. In dit deel van het kamp stonden de onderkomens voor de SS’ers en het Oekraïense bewakingspersoneel. De reden dat het Vorlager niet werd afgebroken, lag in het feit dat de ‘Polnischer Baudienst im Generalgouvernement’, kortweg Baudienst genaamd, er in 1944 haar intrek in had genomen. Deze Baudienst bestond uit Poolse werkkrachten die voor de Duitsers wegwerkzaamheden en andere infrastructurele projecten uitvoerden. Sobibor lag op dat moment dicht bij het front en dus was de Baudienst juist op die plek erg belangrijk voor de Duitsers. Toen in juli 1944 het Sovjetleger het oosten van Polen binnendrong, vertrok de Baudienst uit Sobibor. Korte tijd later, direct na het einde van de Tweede Wereldoorlog, was het op het stationnetje van Sobibor een komen en gaan van met name Oekraïense ontheemden die terug wilden naar hun geboortegrond. Het stationnetje lag pal tegenover het kamp. Omdat Sobibor grenst aan Oekraïne was dit de plek bij uitstek waar de mensen zich massaal verzamelden. Aangezien er soms dagen gewacht moest worden op een trein werden de nog resterende barakken in het Vorlager gebruikt als brandhout. Op die manier konden de mensen zich warmen aan grote vuren en eten koken. Dat wat er nog stond van het Vorlager werd hierdoor in korte tijd afgebroken.

Eind jaren veertig was er dus niets meer zichtbaar van het voormalige vernietigingskamp. Alle barakken waren weg, het prikkeldraad was verwijderd, de gaskamers waren ontmanteld, en op een groot deel van het terrein groeiden jonge bomen. Slechts de commandantswoning en een grote uitkijktoren stonden er nog. Deze uitkijktoren, gepositioneerd middenin het kamp, was geen door de Nazi’s gebouwde wachttoren – het werd tijdens de kampperiode ook niet gebruikt als wachttoren. Het betrof een uitkijktoren van de lokale boswachterij. Deze toren had als functie om eventuele brandhaarden in de bossen te ontdekken. De toren stond er al voor de bouw van het vernietigingskamp en bleef er staan toen het kamp werd afgebroken. Het kwam na de ontmanteling van het kamp simpelweg weer in handen van de plaatselijke boswachterij. Dit gold ook voor de commandantswoning, het zogenaamde ‘Schwalbenest’ (Zwaluwnest). De woning stond er al toen Sobibor een vernietigingskamp werd, en behoorde eveneens toe aan de plaatselijke boswachterij. Zowel de commandantswoning als de uitkijktoren werden, nadat Sobibor van de aardbodem was verdwenen, dus teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar. In de jaren die volgden werd er zowel links als rechts van de commandantswoning een woonhuis gebouwd. Het terrein waar Lager I had gelegen was een open veld dat als landbouwgrond werd gebruikt. De Rampe, het uit zand en aarde opgetrokken perron waar de transporten met de ter dood veroordeelden aankwamen, werd verstevigd en van betonnen platen voorzien zodat de plaatselijke houtindustrie het kon gebruiken om er met zwaar materieel overheen te rijden. Vanaf de Rampe konden zodoende open wagons met hout worden gevuld. Iets wat tot op de dag van vandaag gebeurt. Het leven ging dus gewoon door, en zowel binnen als buiten Polen was er nauwelijks interesse in, of bekendheid met, de geschiedenis van het afgelegen Sobibor.
Het Schwalbenest

Het heeft lange tijd geduurd eer Sobibor uit de vergetelheid wist te geraken. Pas begin jaren zestig, bijna twintig jaar nadat het kamp haar poorten had gesloten, was er sprake van een toenemende belangstelling. De reden hiervoor was het feit dat twaalf voormalig SS’ers die in Sobibor hadden gediend, zich voor een rechter moesten verantwoorden. Het proces startte op 6 september 1965 in het Duitse Hagen, en kreeg veel publiciteit. Voor het eerst werd de wereld geconfronteerd met het vernietigingskamp Sobibor en de gruwelheden die daar hadden plaatsgevonden. Een paar jaar eerder, toen de eerste verdachten werden gearresteerd en voorgeleid, was er besloten dat er in Sobibor een gedenkteken moest komen. Het initiatief hiervoor kwam vanuit het Poolse staatsmuseum Majdanek, een voormalig concentratiekamp in de plaats Lublin. Gezien de toenemende internationale interesse voor de Holocaust vond de staf van Majdanek dat het niet langer kon dat er in Sobibor niets te zien was. Het monument dat in Sobibor werd gebouwd bestond uit drie onderdelen. Het eerste was een muur met daarop in hoofdletters de naam van het kamp en daar schuin onder een bronzen plaat met in het Pools de volgende tekst: “Tussen 1942 en 1943 stond op deze plek een vernietigingskamp van de Nazi’s. In dit kamp zijn 250.000 Sovjetkrijgsgevangenen, Joden, Polen, en zigeuners vermoord. Op 14 oktober 1943 vond er in het kamp een gewapende opstand plaats van enige honderden gevangenen, al vechtende wisten zij aan de Nazi´s te ontsnappen.�? Rechts van de muur was een pad aangelegd, dat ongeveer honderd meter het bos in liep. Aan het einde hiervan, op een open plek, omgeven door sparrenbomen, werd vermoed dat de gaskamers hadden gestaan. Op deze open plek werden twee werken van de kunstenaar Mieczysław Welter geplaatst, een grote stenen kubus wat symbool stond voor een gaskamer, en een sculptuur van een moeder met haar kind. Ongeveer vijftig meter achter deze kunstwerken kwam het derde en laatste onderdeel van het monument te liggen: een grote, ommuurde heuvel. Het ontwerp voor deze ‘Asheuvel’ kwam van de Poolse architect Romuald Dylewski. De heuvel werd gesitueerd op de plek waar her en der verspreid as- en botresten waren gevonden. De Asheuvel kreeg hiermee de symbolische betekenis van een immens graf. Het monument werd op 28 juni 1965 officieel onthuld, en bleek in oppervlakte slechts een klein deel van het voormalige kampterrein te beslaan. Het voormalige onderkomen van de kampcommandant speelde bijvoorbeeld geen rol van betekenis, en ook de Rampe werd buiten beschouwing gelaten. De verantwoordelijkheid voor het monument kwam in handen van de beheerder van de grond, de lokale boswachterij.
De Asheuvel

Sobiboroverlevende Thomas Blatt bracht in de jaren zeventig enkele keren een bezoek aan deze verlaten plek en was niet te spreken over de gedenktekst die stond te lezen op de bronzen plaat bij de ingang. Het stoorde hem mateloos dat Sobibor werd omschreven als een kamp waar, naast Joden, ook Sovjetkrijgsgevangen, Polen, en zigeuners waren omgekomen. De mensen die in Sobibor de gaskamers in werden gedreven, waren, in tegenstelling tot wat de gedenktekst beweerde, allemaal van Joodse komaf geweest. De gedenktekst lag echter in lijn met de manier waarop er onder het communisme naar de Tweede Wereldoorlog werd gekeken. Volgens het communisme waren namelijk alle volkeren slachtoffer geweest van het fascisme, en dus was ook het lijden collectief. De Joden hadden vanuit communistisch oogpunt geen uitzonderingspositie bekleed, en werden daarom ook niet als speciale slachtoffergroep herdacht. Zelfs niet op een plek waar enkel en alleen Joden waren vermoord. Daar komt bij dat het antisemitisme in Polen ook na de Tweede Wereldoorlog nog zeer wijdverspreid aanwezig was. Door een aanhoudend antisemitisch klimaat waren vele Joden inmiddels uit Polen weggetrokken, en bekommerde vrijwel niemand zich om een plek als Sobibor. Bezoekers kwamen er nauwelijks, en de beheerder van de grond, de lokale boswachterij, deed geen enkele moeite om het terrein te onderhouden.
De kerk op het terrein van Sobibor

Midden jaren tachtig vonden er twee opmerkelijke gebeurtenissen plaats op het terrein van Sobibor. Ten eerste werd er door de Poolse orde der Kapucijnen besloten in Sobibor een nieuwe kerk te laten bouwen. Dat feit op zich was niet zo vreemd, maar wel dat deze kerk op de grond van het voormalige vernietigingskamp werd gebouwd. De houten kapel die al in 1926 was gebouwd, stond op instorten en moest nodig vervangen worden. Deze kapel, echter, stond van april 1942 tot en met oktober 1943 binnen de poorten van het vernietigingskamp. Vele mensen die te zwak waren om de weg naar de gaskamers af te leggen, zijn, met name in de beginperiode van het kamp, rond deze kapel geëxecuteerd. Dat op exact dezelfde locatie nu een nieuwe kerk werd gebouwd, leidde dan ook tot verontwaardigde reacties. Rond dezelfde tijd dat de nieuwe kerk werd gebouwd, vond er op het voormalige kampterrein nog iets merkwaardigs plaats. Pal achter de muur met de gedenktekst verrees een houten gebouw dat als kinderdagverblijf ging dienen. Er werd zelfs een speelplaats aangelegd, inclusief draaimolen, glijbaan en schommels. Het voormalig kampterrein van Sobibor was hiermee verworden tot een multifunctioneel complex waar mensen kerkdiensten bijwoonden en konden trouwen, waar kinderen werden opgevangen en vermaakt, waar gewoond en gewerkt werd, en waar ook nog, voor wie de moeite nam goed te kijken, een monument stond voor de vele tienduizenden die op diezelfde grond waren vermoord en verbrand.
De muur met plaquettes

Al deze ontwikkelingen deden Thomas Blatt ertoe besluiten in actie te komen. Hij wilde niet langer lijdzaam toezien hoe het monument van Sobibor langzaamaan in de vergetelheid dreigde weg te zakken. Een grote stimulans voor Blatt om zijn stem te laten horen, vormde het uitkomen in 1987 van de film ‘Escape from Sobibor’, welke was gebaseerd op het gelijknamige boek van Richard Rashke. De film, gemaakt voor televisie, werd wereldwijd uitgezonden, en zorgde ervoor dat miljoenen mensen leerden over het vernietigingskamp en de gruwelheden die daar hadden plaatsgevonden. Deze golf van aandacht leidde er onder andere toe dat Blatt werd overstelpt met aanvragen voor interviews en lezingen. Nu hij een internationale bekendheid aan het worden was, liet hij niet na de situatie van het voormalige kampterrein onder de aandacht te brengen. Tot grote veranderingen leidde dit echter niet. Zelfs niet toen in 1989 het communisme had plaatsgemaakt voor een democratisch gekozen regering. Thomas Blatt nam toen maar het heft in eigen handen. Begin jaren negentig reed hij samen met twee vrienden en voorzien van gereedschap naar Sobibor. Daar aangekomen haalden ze de plaquette met de foutieve gedenktekst van de muur, laadden deze in de auto, en reden weer weg. Blatt wilde door deze actie forceren dat de Poolse regering nu eindelijk eens iets ging doen. Zijn opzet slaagde. Eindelijk werd er ingezien dat de situatie in Sobibor onhoudbaar was. Verschillende onderhandelingen vonden plaats, en er werd een oplossing gevonden. Een deel van de grond waarop het vernietigingskamp had gestaan werd tot historisch monument verklaard. Het kerkje viel buiten de door de Poolse regering aangegeven grenzen, waardoor verdere discussies betreffende de legitimiteit van de kerk direct tot een halt werden gebracht. Ook het huis dat tijdens de oorlog als onderkomen voor de kampcommandant had gediend, vormde wederom geen onderdeel van het monument. Daarentegen viel het kinderdagverblijf wel binnen de aangegeven grenzen, wat betekende dat het gebouw werd ontruimd, en de speelplaats werd afgebroken. Het leeggekomen huis kreeg vervolgens de functie van museum. Op de nu lege gedenkmuur, pal voor het museum, moest een nieuwe herinneringstekst worden geplaatst. In eerste instantie wilde de Poolse regering dat er in de nieuwe tekst kwam te staan dat ‘250.000 Polen en Joden’ waren omgekomen in Sobibor, maar Thomas Blatt was het daar niet mee eens. Hij wilde pertinent dat er recht werd gedaan aan de historische feiten en pleitte voor een tekst waarin enkel zou worden gesproken over ‘250.000 vermoorde Joden.’ Uiteindelijk vonden beide partijen elkaar in een compromis. Er kwamen vijf nieuwe, bronzen platen, waarop in de talen Pools, Engels, Hebreeuws, Jiddisch, en Nederlands de volgende tekst werd aangebracht:


OP DEZE PLAATS BEVOND ZICH
IN DE JAREN 1942-1943
EEN VERNIETIGINGSKAMP
WAAR DE NAZI’S
250.000 JODEN
EN ONGEVEER 1000 POLEN
HEBBEN VERMOORD.

OP 14 OKTOBER 1943 KWAMEN
DE GEVANGENEN IN OPSTAND.
ZIJ OVERMEESTERDEN
HUN BEWAKERS EN ENKELE
HONDERDEN GEVANGENEN
SLAAGDEN ER IN TE ONTSNAPPEN.
NA DE OPSTAND WERD
HET KAMP OPGEHEVEN

“O AARDE !
BEDEK MIJN BLOED NIET�?…
/ JOB 16 : 18 /

In de jaren daarop volgden nog een Duitse, Slowaakse, en Franse plaquette. Ondanks de grote rol van de Poolse regering in het besluitvormingsproces omtrent alle veranderingen, kreeg Sobibor niet de status van nationaal monument. Besloten werd om Sobibor onder te brengen bij het regionale ‘Muzeum Pojezierza �?ęczyńsko-Włodawskiego’, een voormalig synagogencomplex in het op tien kilometer van Sobibor gelegen stadje Włodawa. De verantwoordelijkheid voor het museum en monument Sobibor kwam hiermee in handen van de provincie Chełm – waar de plaatsen Włodawa en Sobibor deel van uitmaakten – en de directie van het synagogencomplex. Op 14 oktober 1993 – precies vijftig jaar na de succesvolle opstand – vond de officiële opening plaats van het museum en monument Sobibor – ‘Muzeum Byłego Hitlerowskiego Obozu Zagłady w Sobiborze’. De ceremonie trok ongeveer 1500 belangstellenden, en werd uitgezonden op de Poolse televisie.
Het museum van Sobibor (voormalig kinderdagverblijf)

In de jaren na 1993 gebeurde er weinig met het museum en het monument. Pas toen in 1999 Marek Bem als directeur werd aangesteld van het synagogencomplex in Włodawa, en hij door deze aanstelling ook de verantwoordelijkheid kreeg over Sobibor, begon er een aantal veranderingen plaats te vinden. Marek Bem was vastbesloten om van Sobibor meer te maken dan alleen een monument dat door slechts een handjevol belangstellenden werd bezocht. Hij wilde Sobibor zowel nationaal als internationaal de erkenning geven die het gezien haar gruwelijke geschiedenis verdiende. Hij werd hierbij gesteund door andere partijen die er net zo over dachten. Vanuit Duitsland kwam er hulp van de organisatie Bildungswerk Stanislaw Hantz, vanuit Nederland was er Stichting Sobibor, en ook de Nederlandse provincie Gelderland heeft de afgelopen jaren veel gedaan om Sobibor onder de aandacht te brengen. In 1993 ging deze provincie een zusterrelatie aan met de Poolse regio Lubelskie – een groot gebied rondom de stad Lublin. De Gelderse keuze voor een samenwerking met een Poolse regio had mede als achtergrond de hulp die Poolse soldaten hadden geboden bij de Slag om Arnhem en de latere bevrijding van Gelderland aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. Doordat er in Polen in 1998 een provinciale decentralisatie werd doorgevoerd, kwam de provincie Chełm te vervallen, en vielen de plaatsen Włodawa en Sobibor voortaan onder de provincie Lublin. Het was deze ontwikkeling die maakte dat de Provincie Gelderland betrokken zou raken bij het monument Sobibor. In februari 2002 brachten enkele vertegenwoordigers van de provincie Gelderland een werkbezoek aan Włodawa, en kwamen aldaar in contact met Marek Bem. Bem wees de Nederlanders op het bestaan van het monument Sobibor en de financiële problemen waarin het museum verkeerde, en vroeg hen om steun.
De twee kunstwerken

Die steun kwam er en leidde al in 2003 tot het zogenaamde Masterplan Sobibor. Een toekomstvisie op hoe de plek er uit moest komen te zien. Het eerste project was de aanleg van een Gedenklaan, ongeveer op de plek waar werd vermoed dat het pad had gelopen dat de 170.000 ter dood veroordeelden naakt moesten afleggen alvorens de gaskamers in te worden gejaagd. Dit pad werd door de Joodse werkgevangen van Sobibor cynisch ‘Himmelfahrtstrasse’ genoemd. De Gedenklaan werd op 14 oktober 2003 officieel geopend. Aan deze laan kunnen nabestaanden een steen laten plaatsen als individueel herinneringsmonument voor de slachtoffers die in Sobibor zijn vermoord. Meer dan 200 stenen uit verschillende landen zijn er inmiddels geplaatst. Daarnaast werd er in 2006 een Educatiepad aangelegd. Een route over het kampterrein waar de bezoeker op verschillende punten, en in drie talen, wordt geïnformeerd over de ligging en indeling van het kamp. Ook heeft Bem in samenwerking met de Provincie Gelderland een rondreizende tentoonstelling weten te realiseren waarin verslag wordt gedaan van de geschiedenis van Sobibor. Het boek ‘From the ashes of Sobibor: a story of survival’ van Thomas Blatt vormt de rode draad van deze expositie. De tentoonstelling bestaat in het Engels, het Pools en het Nederlands. Een Duitse versie moet in het najaar van 2009 klaar zijn. Een ander belangrijk project is het archeologisch onderzoek dat in 2001 rondom de Asheuvel heeft plaatsgevonden. Zeven massagraven zijn toen gelokaliseerd. In 2007 en 2008 is er opnieuw een team van archeologen op het terrein van Sobibor aan de slag geweest. Ditmaal op de plek waar mogelijk de gaskamers hebben gestaan. In het najaar van 2009 zal dit onderzoek worden voortgezet.

Het grootste obstakel voor het realiseren van alle verdere plannen is echter het benodigde geld. De regio Lubelskie is erg arm en ook de Provincie Gelderland kan slechts tot een bepaald bedrag bijspringen. Voor een goed museum, met een op een internationaal publiek gerichte tentoonstelling en faciliteiten voor groepsontvangst, is simpelweg geen budget. Dit geldt ook voor het markeren van de zeven gelokaliseerde massagraven. Mede om die reden heeft de Provincie Gelderland een aantal jaren geleden de situatie van Sobibor aangekaart bij het Nederlandse Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn, en Sport. Dit ministerie is namelijk verantwoordelijk voor de pensioenen en uitkeringen en de hulpverlening aan getroffenen in de Tweede Wereldoorlog, en wil daarnaast de herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog in leven houden. Vanuit dit beleid bestaat er daarom ook een betrokkenheid bij de ontwikkelingen in Sobibor. Het feit dat er in totaal 34.313 Joden vanuit Nederland naar Sobibor op transport zijn gezet, speelt hierbij natuurlijk een grote rol. Het ministerie van VWS heeft zich de situatie aangetrokken, en samen met de landen Polen, Slowakije en Israel wordt er inmiddels gesproken over een herinrichting van het voormalige kampterrein Sobibor. Dit leidde in september 2008 tot de officiële presentatie van het zogenaamde ‘Memorandum of Understanding’. Belangrijkste speerpunten van de vier betrokken landen zijn een nieuw te bouwen herinneringscentrum, het markeren van de zeven gelokaliseerde massagraven, het aangeven van de grenzen van het kamp, en het mogelijk betrekken van de Rampe en andere zichtbare, historische sporen bij de toekomstige plannen. Misschien dat ook de commandantswoning dan onderdeel gaat uitmaken van het monument. Hoe de herinrichting er precies uit komt te zien, is op dit moment nog niet bekend. Wel is zeker dat men in 2013 klaar wil zijn, en dat Sobibor dan de status van Pools staatsmuseum krijgt. Het zal onder de administratieve en financiële verantwoordelijkheid van het museum Majdanek komen te vallen.

* Tot 2008 stond het slachtofferaantal van Sobibor altijd op 250.000. Nieuw onderzoek, gedaan door doctor Jules Schelvis, schrijver van het boek ‘Vernietigingskamp Sobibor’, in samenwerking met de Duitse historicus Peter Witte en het Holocaust Memorial Museum in Washington DC heeft ertoe geleid dat het slachtofferaantal naar beneden moest worden bijgesteld. Vaststaat nu dat in ieder geval 170.000 Joden in Sobibor zijn vermoord, ongeveer 34.000 van hen kwamen uit Nederland.
De Gedenklaan

Frank van der Elst schreef voor zijn opleiding Holocaust- en Genocidestudies een MA-scriptie getiteld: ‘De naoorlogse geschiedenis van de vernietigingskampen Belzec, Sobibor, en Treblinka; voetbalveld – trouwlocatie – monument’. In januari 2007 studeerde hij hiermee af aan de Universiteit van Amsterdam.

RSS - Deze website is gebouwd door Vasilis van Gemert naar een ontwerp van Sitewash